Mentaal welzijn

Leven met een aandoening die traag verergert vraagt iets van je hoofd, niet alleen van je benen. Dat is geen zwakte en het hoort bij het plaatje.

Er wordt in de spreekkamer veel gesproken over voeten en weinig over hoe het met je gaat. Toch is dat laatste een even reëel deel van CMT.

Wat vaak terugkomt

  • Onzekerheid. CMT verloopt bij iedereen anders, dus niemand kan je zeggen waar je over tien jaar staat. Die open vraag is voor veel mensen zwaarder dan de klachten zelf.
  • Verlies. Iets opgeven wat je graag deed — een sport, een job, lange wandelingen — is een echt verlies, met een rouwproces dat erbij hoort.
  • Onbegrip. Je ziet er goed uit, dus mensen verwachten wat ze zien. Steeds opnieuw moeten uitleggen waarom je niet meegaat, put uit.
  • Valangst. Na één of twee valpartijen gaan mensen bewegen vermijden. Daardoor verzwakken conditie en evenwicht verder, wat de kans op vallen weer vergroot.
  • Erfelijkheid. Ouders worstelen met schuldgevoel wanneer een kind de aandoening blijkt te hebben. Dat gevoel is begrijpelijk, en het is nergens op gebaseerd.

Wat helpt

Valangst is de meest concrete: die pak je aan met evenwichtstraining bij de kinesitherapeut en met de juiste hulpmiddelen. Wie merkt dat een orthese of stok het vallen stopt, durft opnieuw.

Voor de rest geldt wat bij elke chronische aandoening werkt: praten met iemand die het kent. Een psycholoog — sommige neuromusculaire referentiecentra hebben er een in het team — en lotgenotencontact via de patiëntenvereniging doen elk iets anders. De eerste helpt je verwerken, de tweede haalt het isolement weg.

Betrek ook je partner of gezin. Zij zien het verloop van dichtbij en hebben hun eigen zorgen, die zelden ergens terechtkunnen.

Wanneer je aan de bel trekt

Zoek hulp wanneer sombere gedachten wekenlang aanhouden, wanneer angst je activiteiten stuurt, wanneer je slaap of eetlust structureel verandert, of wanneer je merkt dat je contacten afhoudt. Dat zijn geen bijwerkingen van CMT die je moet uitzitten, maar klachten die op zichzelf behandelbaar zijn. Je huisarts is daarvoor een goed eerste aanspreekpunt.